Het Tuinbouwgebied, een Hinnomsdal?

Louis Ferron, Schrijver te Haarlem.
Deze tekst verscheen in het Haarlems Dagblad van 12 februari 2005

Bevriende collega’s binnen de Amsterdamse grachtengordel willen zich nogal eens hoogneuzig uitlaten over ‘dat provincieplaatsje’, waar ik verkozen heb mijn laatste levensjaren te slijten. Haarlem dus. Zijn die collega’s héél erg bevriend dan ben ik bereid ze de door eigendunk betraande ogen te openen en ze bij mij thuis uit te nodigen. In het Ramplaankwartier. Dan mogen ze aan mijn eettafel zitten. Met de rug naar zee en duinenrij en met uitzicht op de Oude Bavo, Nieuwe Bavo en van Campens Nieuwe Kerk daartussenin. “Kijk”, zeg ik dan “vanaf deze plek ongeveer heeft Jakob van Ruysdael één van zijn gezichten op Haarlem geschilderd. En dat is nu precies de reden dat Haarlem tot op de dag van vandaag beroemd is, terwijl Amsterdam niet meer dan dubbelzinnige faam geniet een stad te zijn waar het menselijk afval door de goten joelt. Haarlem, vanuit het standpunt van Van Ruysdael gezien, is het pars pro toto van de Hollandse luchten, van de harmonie tussen stad en land, van de triomf van de landschapsschilderkunst waarin heel het menselijk verlangen naar geluk en evenwicht is samengevat”.

Zó, die zit. Als zíj hoogneuzig kunnen zijn, kan ík hoogdravend zijn. Maar gelijk heb ik.

Het zogenaamde ‘westelijke tuinbouwgebied’ – want daar heb ik het natuurlijk over – is een stuk cultuurgrond dat zijn weerga niet kent. Ooit was het maagdelijk genoeg om als bleekveld te dienen. Nu is het, op het nippertje, nog net ongestoord genoeg om als buffer te dienen tussen een stad die niet ál te gezegend is met openbaar groen en de duinenrij. Een vreugdedal tussen blanke toppen en vrome torens.

De lagere overheden, provinciaal en stedelijk, lijken dit te hebben ingezien. Redden wat er te redden valt, luidt hun devies. Maar toch. Sinds ik in deze buurt woon heeft het op geld en economisch nut gerichte gemurmureer geen einde genomen. Er zijn geruchten geweest van villabouw, van sportvelden, van maneges en van ‘beperkte armslag’ voor de alhier gevestigde tuinbouwbedrijven.

Wat moet je ervan zeggen? Villabebouwing leidt automatisch tot een pest van boerderettes. Sportvelden tot schijnwerpterreur en lallende supporters. Maneges tot crossterreinen waar je nog geen Sven Nijs of Richard Groenendaal overheen zou jagen. En wat de beperkte armslag voor de tuinders betreft: al sinds jaar en dag worden enkele van de tuinderskassen gebruikt als opslagplaats voor autowrakken en is een andere kas omgebouwd tot een supermarkt met aanpalende parkeerterreinen.

Het komt allemaal goed, belooft de gemeente ons. Maar ja, geen geld. En, slim als de gemeente is, tovert ze een wel heel curieus konijn uit de hoge hoed: een paar villaatjes aan, zoals ze dat noemt, ‘de rafelrand’ tussen Zijlweg en Brouwersvaart. Rafelrand, snapt u?

Dat klinkt ontoelaatbaar in ambtelijke oren. In werkelijkheid gaat het om bebouwing die althans nog de suggestie van landelijkheid in tact laat. Van het geld dat dit plan oplevert, zegt de gemeente, kunnen we de herinrichting van het tuinbouwgebied ter hand nemen. Dat is zoiets als een Berlijnse Muur zetten rond een paddenpoeltje. Want zó groot is dat tuinbouwgebied tenslotte ook weer niet.

Onlangs was ik op een bijeenkomst aan het betreffende gebied gewijd. Namens de vereniging van eigenaren voerde een dame het woord die zo haar eigen oplossing had bedacht. De tuinders uitkopen en heuveltjes opwerpen. En tussen die heuveltjes natuurlijk boerderettes. En in de zakken van die tuinders een hoop centjes. Als het aan hen ligt wordt het gebied, in plaats van een vreugdedal, een dal van Hinnom dat, naar de fatsoenlijke christenen onder ons weten, een dal was waar de mammon vereerd en mensenoffers gebracht werden.

‘Wat te doen?’, zo vroeg Lenin zich destijds al vertwijfeld af.

De ‘Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied’ weet het. Het door deze club geschetste alternatief bezit de kracht van de eenvoud. Volgens de geleerden is er een dringende behoefte aan wateroverloop gebieden. Als deze er niet komen schijnen we te verzuipen.

Welnu, overheid, als er één taak is waartoe u geroepen bent dan is het wel het garanderen van de droge voeten van uw burgers. Dáár betalen ze belasting voor. Ga, overheid, dus in zee met de werkgroep en doe wat u te doen staat. Graaf sloten en slootjes, laat lis en dodde vervolgens bloeien en verheug u dan in het herwonnen gezag dat u met uw taalkundige foefjes zoals ‘rafelrand’ vooralsnog hebt verloren.