Zicht op de natuur

Henk Wijkhuisen Voorzitter KNNV, Vereniging voor Veldbiologie, afdeling Haarlem en omstreken, Inleiding bij de uitgave ”Zicht op de natuur, natuuronderzoeksrapport Westelijk Tuinbouwgebied”.
Driehuis, april 2005

Een jaar geleden kwam een rapport uit waarin bleek dat Haarlem de hekkensluiter was van de grote steden op groengebied. Als geboren Haarlemmer heb ik daar nooit zo bij stil gestaan. Wie tien minuten fietst zit in de Hekslootpolder, het Nationaal Park Zuid-Kennemerland of langs de oevers van De Liede. Maar wie goed kijkt naar de kaart van Haarlem ziet inderdaad niet zo heel veel groen in de stad. Er zijn enkele begraafplaatsen, we hebben de onvolprezen Haarlemmerhout, de Bolwerken en het Kenaupark. Wellicht wat mager voor een stad met meer dan honderdduizend inwoners.

Er is in elk geval reden om zuinig te zijn op de groene gebieden die Haarlem nog wel rijk is en waar mogelijk deze groene longen zo optimaal mogelijk in te richten voor mens en natuur.

Aan de westrand van Haarlem ligt een open landschap, waarvan je zou vergeten dat het ook binnen de grenzen van de gemeente Haarlem ligt: het Westelijk Tuinbouwgebied. Dit gebied sluit aan bij één van de mooiste landgoederen van ons land, Elswout. Eeuwenlang heeft dit landschap beroemde schilders geprikkeld om te worden vastgelegd op het doek.

Hoe bijzonder het gebied gewaardeerd wordt door de bevolking bleek wel op 6 maart 1991 toen een referendum werd gehouden waarin de Haarlemse bevolking zich mocht uitspreken voor of tegen bebouwing van het Brouwersvaartgebied, dat onderdeel is van het Westelijk Tuinbouw-gebied. Een grote meerderheid sprak zich uit tegen bebouwing.

De naam Westelijk Tuinbouwgebied suggereert dat er vooral sprake is van tuinbouw. Dat valt echter tegen. Grote delen van het gebied zijn verrommeld. Naast kassen is er onder meer een tennishal, worden caravans gestald en auto’s verhandeld. Maar ook komen er in het gebied brede sloten voor en beschermde weilanden die deels eigendom en in beheer zijn van Staatsbosbeheer. Zij dragen bij aan de openheid en het rijke natuurleven van het gebied.

De fel verlichte tennisbaan naast het Rijksmonument Elswout is misschien nog wel de grootste misser in dit gebied. Het is een typisch geval van wat de planoloog ‘stadsrandeffecten’ noemt: er ontstaan allerlei activiteiten die je eigenlijk niet wenst. Dit soort ruimtelijke wildgroei is bijna altijd het gevolg van de onmacht van de politiek om voor de randen van de stad goede bestemmingsplannen te maken en aan wetshandhaving te doen.

Het Westelijk Tuinbouwgebied is in 2002 en 2003 door de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland en de KNNV Vereniging voor Veldbiologie afdeling Haarlem en omstreken, onderzocht op de aanwezige natuurwaarden. Het blijkt dan een interessant gebied te zijn, waarvan er binnen de gemeentegrenzen van Haarlem geen tweede te vinden is. Bovendien zijn de natuurpotenties van dit gebied erg groot. Het schone duinwater, dat vanaf het westen naar Haarlem stroomt, is een voorwaarde voor een geweldige ecologische ontwikkeling indien we dat zouden toestaan. Het is ook een gebied waar voor de stadsrecreant nog veel mogelijkheden liggen om even de accu op te laden.

Kortom, het Westelijk Tuinbouwgebied is niet alleen de moeite waard om behouden te blijven, maar beslist ook de moeite waard om versterkt te worden als het om de natuur en belevingswaarden gaat.

Het hier voor u liggende rapport kan als basis dienen om het Westelijk Tuinbouwgebied te behouden en te versterken. Als het aan de organisaties ligt die dit rapport hebben samengesteld, beginnen we daar morgen mee. Met de kennis van onze veldbiologen in voornoemde verenigingen en het enthousiasme van de omwonenden van het Westelijk Tuinbouwgebied moet het mogelijk zijn om deze parel aan de westgrens van Haarlem te laten schitteren.

 

Wandelen door het Westelijk Tuinbouwgebied

of: weg met de coniferen

Wim Vogel, neerlandicus en publicist
Hij sprak op de informatiebijeenkomst over het Westelijk Tuinbouwgebied op dinsdag 12 april 2005 in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem en bewerkte zijn tekst ten behoeve van de uitgave “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem”.
Haarlem, juni 2005

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig van de vorige eeuw logeerde ik een enkele keer bij mijn opa en oma aan de Zijlweg in Overveen. Als je vanuit Haarlem de door de Duitsers veroorzaakte ruïnes na het Triniteitslyceum voorbij was, liep je langs de kwekerij van Van Dijk en in het eerste kleine huisje links woonden zij.

Voor het huisje liep een brede sloot het land in, richting Brouwersvaart. Achter het huisje lagen grote schuren vol bergen steenkool waar zwarte ooms zakken vulden en die per vrachtauto vervoerden naar de klanten. Op de auto was een reclamebord bevestigd. Op de voorkant zat een treurige, rillerige man naast een kachel die weigerde, op de achterkant lachte de man breeduit en zag je gewoon de hitte van de kachel spatten. De tekst op de voorkant luidde: ‘Hij niet!’, op de achterkant: ‘Hij wel!. Hij stookt kolen van Vogel.’ Mijn grootvader was kolenboer.

In het jaarboek van de Vereniging Haerlem 1954 publiceerde Mej. A.C.W.Rijnierse haar Overveense herinneringen. Zij schreef die in 1946 en ze spreekt over de tijd ‘ruim 65 jaar geleden’, dus over de laatste twintig jaren van de negentiende eeuw. Over het huisje van mijn grootouders schrijft ze: ‘Links kom ik aan een gedeelte van den Zijlweg, waaraan een breede sloot is, welke uitmondt in de Brouwersvaart. Op dit punt, dat met het oude huisje nu nòg intact is, woonde Schipper Vogel, die beurtschipper was op Amsterdam. Wekelijks voer hij heen en weer; dat was destijds de eenige verbinding voor Overveen met Amsterdam om goederen mede te geven.’ Mijn grootvader was dus beurtschipper en ik stel mij voor dat gegoede Amsterdamse families van zijn diensten gebruik maakten om in het voorjaar van de warme Amsterdamse grachten te verkassen naar hun buitenplaatsen in Overveen en terug natuurlijk. Het oude huisje aan de Zijlweg is vandaag de dag deerlijk toegetakeld en onherkenbaar uitgebreid en gemoderniseerd. Maar eind jaren veertig stond ik er aan het hek, zag over de weg de tram naar Overveen rijden en speelde achter het huisje op de eindeloze velden vol groente en bloembollen.

In 1970 werd ik leraar Nederlands aan het Triniteitslyceum, Zijlweg 199, ‘post Overveen’ moest je daar om de een of andere reden achter vermelden, Vanuit mijn lokaal op de eerste verdieping van de nieuwbouw, haaks op de Westelijke Randweg, zag ik het huisje van mijn grootouders en in mijn lokaal zaten de Bijvoeten, de Groendijken, de Koelemeijers, de Roozens en de Van Kessels, nazaten van befaamde Overveense bollenboeren en tuinders.

Soms als ik geen zin had les te geven, nam ik een klas mee naar buiten voor een kleine excursie, zoals ik dat dan maar noemde. Stak de Zijlweg over en bereikte via de Hyacintenlaan en het viaduct onder de Randweg het zwarte pad langs de Brouwersvaart. Zeker in de jaren zeventig liep je daar nog echt tussen de tuinderijen en de bollenvelden. En altijd hoorde je er het geblaf van de honden in het asiel, ‘gevestigd aan een landelijk weggetje aan de rand van de stad. De lucht van pis en van pens walmde ons tegemoet toen we naar binnen gingen. Aan het einde van de gang was een gazen deur met daarachter een ruimte vol getraliede hokken, noteert Renate Dorrestein in Een hart van steen.Langs de kerk in Overveen en via de Zijlweg zag je de school dan al weer liggen. Het rondje was binnen een lesuur van vijftig minuten precies te doen. Even buiten zijn, even weg uit de sleur die lesgeven toch onvermijdelijk met zich meebrengt.

Vanuit mijn huis in Haarlem-Zuid fietste ik naar school. Meestal over de Schouwtjesbrug, de van Oosten de Bruynstraat in om via de Westergracht na de spoorwegovergang rechtsaf te slaan. Daar lagen toen nog de velden van Dames, hun huis stond er nog. In het voorjaar natuurlijk de bloemen maar langzaam maar zeker werden die verdreven door sla, spinazie en andere groenten. Vaak gingen de eerste plantjes al begin maart de grond in. Maar Dames maakte plaats voor een nieuw wijkje, de bollen verdwenen en in plaats van sla en spinazie kwam er een kerk, een brandweerkazerne en natuurlijk opnieuw huizen, flats, straten en pleinen. Zelfs het Triniteitslyceum verdween.

In de jaren negentig verzamelde ik materiaal voor mijn Literaire wandelgids van Haarlem die in 1995 verscheen. Vanzelfsprekend trof ik bij die zoektocht naar literatuur over Haarlem ook teksten en fragmenten aan, gesitueerd in wat nu het Westelijk Tuinbouwgebied wordt genoemd. Zo schreef Jacob Israël de Haan (1881-1924) in een van zijn Fijne Fragmenten:

De landen rondom Haarlem zijn afwisselend van hoogte en van grondsoorten, dus worden zij ook op afwisselende wijze bebouwd. In de lente zijn wellicht de bloemvelden het mooist; zij maken geheele buurten bont en blauw. Het bont bestaat uit rood, geel en wit. Het blauw is van witachtig tot kobaltpaars. Blauw bloeien hyacinthen. Geel van crocussen en kobalt van hyacinthen zijn twee mooie kleuren, die heel mooi naast elkander staan.

Ik weet van avonden in de bloemenbuurt van Haarlem in de lente, die mooier waren dan de mooiste morgens van mijne jeugd. En ik weet nu ogenblikken van herinnering, die mooier zijn dan iedere werkelijkheid. Want de paarse en de gele herinneringen van bloemen zijn mooier dan paarse en gele bloemen.

Rond de vorige eeuwwisseling wandelde de later vermaarde Haarlemse vogelkenner Jan P. Strijbos vrijwel wekelijks met zijn vader in dit zelfde gebied. Op een van die wandelingen, langs de Houtvaart ontmoetten zij de vader van Frederik van Eeden, de oude heer F.W.van Eeden, auteur van onder andere Onkruid, botanische wandelingen door Kennermerland.

Mijn vader stond dan langdurig met hem te praten, soms over kunst, maar meestal over planten en bloemen. Mij vaak veel te lang, want ik kon de gesprekken niet volgen en nog minder begrijpen. Ik stond steeds maar aan de panden van vader’s jas te trekken en trachtte hem mee te tronen. Maar op een keer gebeurde er iets, waardoor ik onder de indruk kwam. Meneer Van Eeden ontdekte plotseling een slang, die zich door het gras in de richting van de sloot bewoog en greep deze tot mijn grote schrik vast. Hij verzekerde mij echter dat het een ringslang was en dus geheel ongevaarlijk. Daarop verzamelde ik al mijn moed om het kille slangenlichaam aan te raken, eventjes maar. Als kind beleef je zo’n gebeurtenis als een avontuur.

Renate Stoute herinnert zich haar jeugd in haar roman Waarom ik geen bloemenmeisjes werd (1998):

Ik trok mijn laarsjes aan, stond op en veegde m’n broek af. Ik had geen idee van wat ik ging doen. Onversaagd doormarcheren, bijvoorbeeld naar Overveen en daar een ‘koeienpaadje’ langs de ‘boerenslootjes’ nemen? Tijdens strenge winters kon je lange tochten maken over het ijs dat op de slootjes lag. Je zag de omgeving zoals je ‘m anders nooit zag’

Een moderne wandelaar is buurtbewoner en romancier Bartho Kriek. Uit zijn roman Het ijzeren heden (1998) blijkt dat natuur en inrichting van het landschap de afgelopen honderd jaar dramatisch zijn aangetast, een proces dat onverminderd doorgaat.

Het bos houdt op bij het kerkenpad (dat maken ze steeds breder, en steeds meer bromfietsers rijden er straffeloos over) dat bedekt is met een laag schelpengruis, zodat je je soms op een waddeneiland waant. Links ligt het landgoed (uitgebaat door een restauranthouder met dollartekens in zijn ogen, en heb je die gigantische nieuwe parkeerplaats al gezien waarvoor ze zomaar aan het kappen zijn geslagen, zonder vergunning? Kraaien en kauwen beloeren je vanaf paaltjes langs de slootjes weerzijde. Ik zie een kauw de rug van een bruine koe ontdoen van wat voor hem kennelijk eetbaar is.

Halverwege dit pad, waarvan het schelpengruis vervangen is door zielloos asfalt met gaten, heb je een fraai zicht op de stad. Twee kerken, mooie luchten, groene velden en wat jammer dat die velden rechts meer en meer ontsierd worden door allerlei onterechte opstallen, tennishallen, kassen en werkplaatsen. Buurtbewoner Harry Prenen had het ooit over ‘Planologen met goud in hun bek en stront in hun ogen’, en Bartho Kriek schrijft:

En hetzelfde is aan de andere kant, daar, gebeurd met die tennishallen, die zogenaamde bollenschuren zijn: reisjes naar Indonesië, jazeker! Nieuwe auto’s! Onderhandse betalingen!

Recht voor me bevinden zich kerk en kroeg, aloude kompanen. Achter de kerk ligt het tennispark. Rijen vlaggen wapperen daar die, ik erken het, een beetje detoneren tussen het groen. Hoewel, als je ervan houdt… vroeger was daar een manege gevestigd (maar die hebben we lekker weg gekregen, zeiden ze bij de gemeente, Albert, want daar hebben de omwonenden zogenaamd last van. En de lichtmasten die er staan hadden er nooit mogen komen maar kwamen er toch, via corruptie, maar bewijs het maar eens…)

En ook in het werk van Louis Ferron, sinds enkele jaren bewoner van het Ramplaankwartier, is het niet de romantiek van het groen die overheerst, maar de woede over wat er in het gebied feitelijk allemaal gebeurt. Zijn hoofdpersoon uit Viva Suburbia (1998) heeft zo zijn eigen visie op de wijk:

Maak je nu eindelijk eens druk om de dingen die er werkelijk toe doen. Opdat die hufters van de INTRATUIN niet al ’s morgens vroeg om vijf uur hun kabouters beginnen uit te laden. Opdat de achtste plaag van Egypte, die van de zondvloed aan jack Russells, niet ook de boorden van het Ramplaankwartier overspoelt. Opdat niet alle openbare groen bekotst, bezeken en bescheten raakt. Opdat er geen ‘bypass’ door de buurt gelegd zal worden om het verkeer over de Zandvoortselaan en de Zeeweg te ontlasten. Opdat de oudjes van het om de hoek gelegen bejaardentehuis je niet voortdurend van de sokken rijden met hun rolprotheses en je niet uit je middagslaapje houden met hun gebitten die luid kletterend op de klinkers lazeren. Ja, vooral die oudjes zijn me een doorn in het oog. En ik ga in de wijkraad zitten om mijn stem tegen ze te verheffen. Dit is een buurt voor de aanstormende generatie, voor de ’putters’ en ‘downers’, de tapijtreinigers en jonge starters.

Kijk, zo kennen we Ferron weer.

Wonen in een bollenschuur

In 1993 publiceerde Marianne Andriessen in Beschreven Bladen, huisorgaan van het Haarlemse genootschap Het Beschreven Blad, haar herinneringen aan de jaren die zij in de jaren vijftig, midden in het Westelijk Tuinbouwgebied, woonde in de grote, zwartgeteerde houten bollenschuur aan de Marcelisvaart.

Kwam men vanaf het koeienpaadje het pad af, komt men eerst voorbij, teruggelegen, de boerderij van Jan Bart Bos in het “Zwarte Gat”, dan ga je een kwakel over, zo’n hoog bruggetje, met kippestokjes, waaronder de boten van de tuinders opgeladen met bollen of groenten konden varen. Stond je bovenop die kwakel had je een overzicht op de tuinen en overtuinen van de Cornetten en de Lootsen. Geraniums en allerlei kleuren, rood – paars – licht- en donkerrose, het vlamde tegen elkaar op, niet te geloven, daarachter ridderspoor licht- en donkerblauwe – witte, hetgeen ook een opvlammen ten gevolge had, heel grote fuchsia’s, gele en rode keizerskronen. Ab had duiven en bemestte zijn geraniums met de uitwerpselen van deze vogels. Nooit heb ik zulke stevige, gezonde planten gezien. (…)

Van die kwakel af en liep je door dan kwam je langs vier oude tegen elkaar geleunde huisjes. In het eerste woonde Jantje V. (altijd Jantje), leraar tekenen op een technische school en heeft aardige houtgravures gemaakt van de vaart. Op nummer 5 (meen ik) Cornet, die zijn naam geen eer aandeed door violen te bouwen. Daarnaast kwam het atelier van Ab Loots, kunstschilder, vervolgens zijn woonhuis. Zijn vrouw heeft prachtige borduursels gemaakt. Dan een hele tijd weer wat vaart + slootje, en het eindigt met de bollenschuur. De vaart loopt nog door tot aan de Randweg. Het pad heette een notweg = noodweg te zijn. Is iets met recht van overpad. Hebben wij nooit last van gehad. In een van de huisjes heeft Chris Lebeau gewoond. De tuinders zagen ons met verholen gramschap komen.

Marianne legt in het tuinbouwgebied haar eigen tuintje aan:

Een stukje tuin had ik afgebakend voor kruiden. We hebben heel wat uurtjes aan de voorkant van de schuur, opzij of aan die oostkant, in die L-vorm doorgebracht. Het blijkt dat een tuin aan het noord-oosten best gedijen kan. Van de tuinders leerden we het verschil tussen een bats en een graaf. En wat een platte drietander was. En dat we een hark zo moesten neerzetten dat niemand op de tenen kon trappen. Hoe we moesten spitten. Wat de beste schoffel was. Ik keek niet op de klok van de Bavo hoe laat het was, maar zag aan de voortgang die ze al spittend maakten en het zand donkerder kleurde, of ik moest opschieten of niet.

Machines waren toen nog niet aanwezig. Na het koppen (de bloemen kregen wij) en het uitgraven van de bollen werden door deze uitstekende vakmensen spinazie, Bloemendaalse gele (een soort kool), sla, andijvie geplant en dat zodanig dat tussen de andijvie alvast sla-plantjes gezet werden of omgekeerd. Altijd gezanik na het weekend. Over de bezoekers, die in de velden gelopen zouden hebben. Piet, witheet, kwam dan vloekend aankloppen. Roepend: krijg de klere. Toen ik hem eens vroeg wat of dat betekende eigenlijk, zei hij met een kleur: ach, iets over cholera en zei het daarna nooit meer,

Heel wat jaartjes later is hij een wasserette begonnen. De oude Kramers is niet zo lang geleden gestorven, blind geworden en Gerrit, daarvan zei de oude: Ach, op ieder potje past wel een deksel!

Vele jaren kende ik het Tuinbouwgebied eigenlijk alleen van de buitenkant. Je fietst erdoor, vooral erlangs, je kijk ernaar, maar eerst in 1999 ben ik lopend het gebied ingegaan, op zoek naar de oude bollenschuur van Marianne en Nico Andriessen. In Beschreven Bladen van juni 1999 schrijf ik:

Wie bijna vijftig jaren later Marianne achterna loopt, zou kunnen denken dat er niet zo heel veel veranderd is. Natuurlijk, het onafgebroken gebrom van vliegtuigen is irritant, Maar op die middag, begin juni 1999, dat ik daar liep, woei er een mooie westenwind door het riet en die overstemde in ieder geval het zoveel zwaardere geronk van de Randweg. Een mooi plekje. Rechts nog steeds die vaart met aan de overkant daarvan drie bruine paarden in een lekker, groen-gelig weitje. Ver in het oosten de twee Bavo-kerken, rechts een leegstaand huis, oud, vervallen maar mooi verkrot. Daarnaast een ruime, eenvoudige boerenwoning met vier ramen, acht roodgroene luiken, twee dakkapellen, twee schoorstenen en heel veel kraaien. Op de voorgrond een onduidelijke mengelmoes van struikgewas, kassen, huisjes en bouwsels.

Als ik linksaf loop, sta ik plotseling voor een geweldige hal. Draglines, zandauto’s, bergen stenen: hier wordt een heuse parkeerplaats aangelegd voor tientallen auto’s. Ik moet denken aan wat misschien de mooiste roman van Jan Siebelink is De herfst zal schitterend zijn waarin onder meer de jarenlange strijd beschreven wordt van een tuindersfamilie tegen het oprukkend proletendom dat schijt heeft aan regels en bepalingen en gewoon een gigantisch zwembad bouwt in wat eens een arcadische en idyllische omgeving was. Hier is, vrees ik, iets soortgelijks gebeurd.

Achter de immense hal, opnieuw parkeerplaatsen en enorme kassen waarin caravans en boten groeien (mag dat allemaal zo maar in Haarlem in een gebied dat de gemeente zo graag groen en landelijk wil houden??), een rotonde die op last van de politie en brandweer vrijgelaten dient te worden, een Herman A.Brockplein. Het bordje onthult dat we hier te maken hebben met een “Tennisser 9-2-1937’: een raadselachtige mededeling.

Links van de rotonde doemt hij op: ‘Groot – leeg –holle ramen – luiken – hout – bruin geteerd – zonder enige emotie – log en toch vriendelijk’ (Marianne Andriessen). Hij staat er nog steeds, weliswaar wat weggedrukt door al die illegale (?) bouwsels maar dit is zonder twijfel de loods die Marianne met haar man Nico in de jaren vijftig enige tijd bewoonde. Er omheen een geweldige rotzooi. De loods zelf ziet er onttakeld uit. De planken zijn nu zwart geteerd, hier en daar hangt er eentje los, scheef weggezakt. Een regenpijp begint nog wel aan een goot naar houdt halverwege de houten muur plotseling op. Aan de oostkant, richting stad, een huisdeur met een bordje, nummer 11. Gewoond wordt er niet meer in. Sommige ramen zijn dichtgetimmerd. Een bollenloods is woonhuis, is opslagruimte geworden.

Voor de loods loopt de Marcelisvaart. Als je naar het zuiden en westen kijkt, is de idylle ongestoord. Op het land wordt gewerkt, gewoon op de knieën. Een kikker springt weg. Een haan, een paar kippen. Lage, wat onduidelijke huisjes, weggewerkt in het groen. Tegen de buitenmuur zinken teiltjes, een kruiwagen naast een regenton. Een oude vrouw vraagt wat ik zoek. Ze spreekt een beschaafd soort aangenaam Nederlands dat zeldzaam wordt. Ik laat de foto’s zien die Marianne ooit in ons huisorgaan heeft afgedrukt. Ze herkent alles meteen. Zelf woont ze hier al veel langer. Natuurlijk weet ik dat ik met mevrouw Loots praat, Marianne noemt haar in haar artikel. Mevrouw Loots is nu vierennegentig. Ze wil hier nooit meer weg. Ze woont hier heerlijk, zegt ze. Afgezien natuurlijk van die tennishal waarvoor ze overigens ettelijke malen op het stadhuis is geweest. Zonder resultaat. Haar man, de kunstenaar Ab Loots, overleed in 1974. Of ik wel weet dat ook Pim Koot hier nog gewoond heeft? Daar zou ze nog mee gaan trouwen maar in 1995 was hij zomaar dood.

Voorjaar 2005

Mei 2005 loop ik opnieuw langs de Marcelisvaart het tuinbouwgebied in. Midden in dat gebied, rondom de tennishal, tel ik meer dan tweehonderd auto’s. Niet alle parkeerplaatsen zijn bezet. De bollenschuur ziet er opgeknapt uit. Het is nu onmogelijk de kassen in te kijken. De meeste ramen zijn afgedekt en anders staan er wel coniferen die inkijk tegen gaan en die tegelijkertijd alles wat groener en vriendelijker moeten maken. Waar je ook kijkt, overal coniferen, een nieuwe ramp voor het tuinbouwgebied: het oogt groen, het lijkt vriendelijk maar het ziet er niet uit, is grote nep en versluiert de feitelijke aanrandingen. Ergens worden, natuurlijk achter coniferen, auto’s te koop aangeboden.

Ooit was dit gebied een strandvlakte waarop in later eeuwen bomen groeiden. Toen die onderstoven en toen de duinen beplant werden, werden de grond en het heldere duinwater gebruikt voor de blekerijen en de Haarlemse brouwerijen. De bloembollencultuur kwam daar in de loop van de achttiende en negentiende eeuw voor in de plaats, aangevuld met de tuinbouw in de twintigste eeuw. In diezelfde eeuw slokte woningbouw grote stukken land op waarna in de laatste vijftig jaar zelfs het resterende deel van het Tuinbouwgebeid verkracht wordt door allerlei bouwsels en ontwikkelingen die het geheel zo slordig maken dat je geneigd bent het allemaal maar op te geven. Maar lezen we tot slot wat Jacob Israël de Haan honderd jaar geleden schreef:

Ten Westen van Haarlem ligt een landschap van dalende diepten en stijgende duintoppen. Duinen zijn wit van zand en warm van de zon wanneer de zomer in het duinenland gekomen is. Van hooge toppen kan men geheel Haarlem zien van streek tot streek. Dikwijls is de lucht met den zomer vol van gouden, dunnen damp, fijner dan waterdamp. Dat gebeurt, wanneer wolken geen ijzergrijs water regenen, maar de zon sneeuwt wit-goud licht. Ik heb Haarlem lief, want het is eene heilige stad. Wit en gouddampend licht is hare kroon van heerlijkheid.

Dat landschap dient ten koste van alles bewaard en goed beheerd te worden!

 

Westelijk Tuinbouwgebied-lied

Tekst en muziek: Paul Marselje

Geschreven voor de opening op zaterdag 5 maart 2005 van de tentoonstelling in het ABC Architectuurcentrum Haarlem over het Westelijk Tuinbouwgebied

Van het Paul Marselje-album ‘Daar woon je’ met 19 liedjes over Haarlem en omgeving.

Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Wie zingt het niet
Wie kan zich nog bedwingen?
Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Waar je geniet
Wie wil daarvan niet zingen?

Geef mij terug de glorietijd
Van tuindersvlijt en boten vol
Met groenten naar een veiling
Waaraan de tijd voorbijging Onder de hoge bruggen door
Zong men in koor de glorie van
De bollen en de groentetuin
Zo vlak onder de duinenkruin

Maar er is meer dan tuinderij
En ik wordt blij van wat ik vind
Het schoonste water van de stad
Je raadt het al; waar vindt je dat
Een open tuin tegen het duin
Een groot fortuin, bescherm het maar
Voor stedeling en de natuur
Al is de prijs ook nog zo duur

Maar soms klinkt er een and’re deun
Een echte dreun vol heipalen
En plannen vol van stenen
Dat doet Haarlemmers wenen
Ze dwalen door de Leidsebuurt
Waar dichtheid schuurt in rijen
Ze vinden er geen park of groen
Waar moet je het dan wel mee doen?

Een weer een ander zingt de lof
verdient graag grof aan grondverkoop
Dat mag hij dan graag willen
Maar mij doet zoiets rillen
Zijn plannen lijken wonderschoon
Vol groenvertoon en waterpracht
Maar steun van ons dat komt er nooit
Waarmee hij ook zijn plannen tooit

Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Wie zingt het niet
Wie kan zich nog bedwingen?
Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Waar je geniet
Wie wil daarvan niet zingen?

 

Openingswoord

Openingswoord bij de expositie “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem” in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem op zaterdag 5 maart 2005.

Frieda van Diepen-Oost,Voorzitter overlegorgaan Nationaal Park Zuid-Kennemerland

Als bestuurders van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland, dat de zorg heeft voor het duingebied van Zuid-Kennemerland, zijn wij de buren van het Westelijk Tuinbouwgebied.

Als goede buren heb je zorg voor elkaars erf!

Is het Westelijk Tuinbouwgebied, wel de voortuin van Haarlem genoemd; het Nationaal Park Zuid-Kennemerland heeft als motto voor het tienjarig bestaan “de achterduin”

Een tuin is het verlengde van het woongenot van het huis, waar je kunt genieten, ontspannen, recreëren en soms ervan profiteren als moestuin. De tuin bepaalt mede de waarde van het huis. En zo heeft het Westelijk Tuinbouwgebied een grote meerwaarde voor de stad Haarlem.

Het gebied kent kansen en bedreigingen. De werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied zet zich in om de kansen te vergroten en de bedreigingen te weren.

Kansen liggen in de aard van het gebied: interessante natuurpotentie voor opvang en gebruik van schoon water uit de duinen, prachtig open landschap met mooie zichtlijnen op de stad en een interessante cultuurhistorie.

Oude Haarlemmers kenden de waarden van het gebied, vooral het schone water, waardoor er economische activiteiten ontstonden als bierbrouwerijen, blekerijen, voedselproductie en bollenteelt.

Thans is het nog een bufferzone tussen de bebouwing van de stad (Randweg) en de duinen.

De Ecologische Hoofdstructuur loopt hier langs!

Bedreigingen liggen in het redelijk onbebouwd zijn; als stadsrand heeft het de potentie voor diverse functies die de stad moet invullen zoals sportvelden, maneges, bedrijven die uit de stad geplaatst moeten worden enzovoort.

Om de kansen van het gebied te benutten en de bedreigingen te weren, moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden:

  • bewustwording bij de burgers en de politiek/overheid van de waarde van het gebied en daarmee de wil om die waarde in stand te houden,
  • mede dankzij de grote inspanning van de werkgroep wordt daaraan veel gedaan en deze tentoonstelling zal daar ook aan kunnen bijdragen.

Goede wil alleen is niet genoeg. Zekerheidstelling is nodig voor instandhouding en die kan verkregen worden door:

  • Bescherming door regelgeving Ecologische Hoofdstructuur,
  • Streekplan van de Provincie
  • Landschapsbeheerplan, waarmee een inventarisatie van de waarde is vastgelegd.
  • Bestemmingsplan van de gemeente Haarlem, op dit moment in voorbereiding.

Hoewel deze regelgeving grote zekerheid kan bieden, kunnen regels ook altijd weer veranderen (soms zijn wijzigingsbevoegdheden al ingebouwd).

Daarom zijn een goede inrichting en ontwikkeling van het gebied heel belangrijk.

Een goed uitvoerings- en inrichtingsplan dat vervolgens ook voortvarend wordt uitgevoerd is hiervoor een goed instrument..

Ook liggen er kansen in de nieuwe opvattingen van de ruimtelijke ordening en de aandacht voor het landelijk gebied.

De nota Ruimte van het rijk geeft meer mogelijkheden voor ontwikkelingen, maar wel ontwikkelingen met Kwaliteit! De Provincies en gemeenten krijgen meer bevoegdheden en voor dit gebied kan daarbij aansluiting worden gezocht.

In een gebiedsgerichte aanpak moet een inrichtingsplan worden opgezet, waarbij de kwaliteitselementen van het gebied worden meegenomen, zodanig dat de natuur, het landschap en cultuurhistorische waarden worden behouden en verder worden versterkt wanneer de inrichting daadwerkelijk worden uitgevoerd.

Bij deze ontwikkelingen zullen alle belanghebbenden: bewoners, grondeigenaren en maatschappelijke organisaties van het begin af moeten worden betrokken.

Voor de werkgroep ligt hier een schone taak en deze tentoonstelling kan er hopelijk aan bijdragen om met dit werk ten behoeve van het Westelijk Tuinbouwgebied stimulerend bezig te blijven!

Het Tuinbouwgebied, een Hinnomsdal?

Louis Ferron, Schrijver te Haarlem.
Deze tekst verscheen in het Haarlems Dagblad van 12 februari 2005

Bevriende collega’s binnen de Amsterdamse grachtengordel willen zich nogal eens hoogneuzig uitlaten over ‘dat provincieplaatsje’, waar ik verkozen heb mijn laatste levensjaren te slijten. Haarlem dus. Zijn die collega’s héél erg bevriend dan ben ik bereid ze de door eigendunk betraande ogen te openen en ze bij mij thuis uit te nodigen. In het Ramplaankwartier. Dan mogen ze aan mijn eettafel zitten. Met de rug naar zee en duinenrij en met uitzicht op de Oude Bavo, Nieuwe Bavo en van Campens Nieuwe Kerk daartussenin. “Kijk”, zeg ik dan “vanaf deze plek ongeveer heeft Jakob van Ruysdael één van zijn gezichten op Haarlem geschilderd. En dat is nu precies de reden dat Haarlem tot op de dag van vandaag beroemd is, terwijl Amsterdam niet meer dan dubbelzinnige faam geniet een stad te zijn waar het menselijk afval door de goten joelt. Haarlem, vanuit het standpunt van Van Ruysdael gezien, is het pars pro toto van de Hollandse luchten, van de harmonie tussen stad en land, van de triomf van de landschapsschilderkunst waarin heel het menselijk verlangen naar geluk en evenwicht is samengevat”.

Zó, die zit. Als zíj hoogneuzig kunnen zijn, kan ík hoogdravend zijn. Maar gelijk heb ik.

Het zogenaamde ‘westelijke tuinbouwgebied’ – want daar heb ik het natuurlijk over – is een stuk cultuurgrond dat zijn weerga niet kent. Ooit was het maagdelijk genoeg om als bleekveld te dienen. Nu is het, op het nippertje, nog net ongestoord genoeg om als buffer te dienen tussen een stad die niet ál te gezegend is met openbaar groen en de duinenrij. Een vreugdedal tussen blanke toppen en vrome torens.

De lagere overheden, provinciaal en stedelijk, lijken dit te hebben ingezien. Redden wat er te redden valt, luidt hun devies. Maar toch. Sinds ik in deze buurt woon heeft het op geld en economisch nut gerichte gemurmureer geen einde genomen. Er zijn geruchten geweest van villabouw, van sportvelden, van maneges en van ‘beperkte armslag’ voor de alhier gevestigde tuinbouwbedrijven.

Wat moet je ervan zeggen? Villabebouwing leidt automatisch tot een pest van boerderettes. Sportvelden tot schijnwerpterreur en lallende supporters. Maneges tot crossterreinen waar je nog geen Sven Nijs of Richard Groenendaal overheen zou jagen. En wat de beperkte armslag voor de tuinders betreft: al sinds jaar en dag worden enkele van de tuinderskassen gebruikt als opslagplaats voor autowrakken en is een andere kas omgebouwd tot een supermarkt met aanpalende parkeerterreinen.

Het komt allemaal goed, belooft de gemeente ons. Maar ja, geen geld. En, slim als de gemeente is, tovert ze een wel heel curieus konijn uit de hoge hoed: een paar villaatjes aan, zoals ze dat noemt, ‘de rafelrand’ tussen Zijlweg en Brouwersvaart. Rafelrand, snapt u?

Dat klinkt ontoelaatbaar in ambtelijke oren. In werkelijkheid gaat het om bebouwing die althans nog de suggestie van landelijkheid in tact laat. Van het geld dat dit plan oplevert, zegt de gemeente, kunnen we de herinrichting van het tuinbouwgebied ter hand nemen. Dat is zoiets als een Berlijnse Muur zetten rond een paddenpoeltje. Want zó groot is dat tuinbouwgebied tenslotte ook weer niet.

Onlangs was ik op een bijeenkomst aan het betreffende gebied gewijd. Namens de vereniging van eigenaren voerde een dame het woord die zo haar eigen oplossing had bedacht. De tuinders uitkopen en heuveltjes opwerpen. En tussen die heuveltjes natuurlijk boerderettes. En in de zakken van die tuinders een hoop centjes. Als het aan hen ligt wordt het gebied, in plaats van een vreugdedal, een dal van Hinnom dat, naar de fatsoenlijke christenen onder ons weten, een dal was waar de mammon vereerd en mensenoffers gebracht werden.

‘Wat te doen?’, zo vroeg Lenin zich destijds al vertwijfeld af.

De ‘Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied’ weet het. Het door deze club geschetste alternatief bezit de kracht van de eenvoud. Volgens de geleerden is er een dringende behoefte aan wateroverloop gebieden. Als deze er niet komen schijnen we te verzuipen.

Welnu, overheid, als er één taak is waartoe u geroepen bent dan is het wel het garanderen van de droge voeten van uw burgers. Dáár betalen ze belasting voor. Ga, overheid, dus in zee met de werkgroep en doe wat u te doen staat. Graaf sloten en slootjes, laat lis en dodde vervolgens bloeien en verheug u dan in het herwonnen gezag dat u met uw taalkundige foefjes zoals ‘rafelrand’ vooralsnog hebt verloren.

Voorwoord bij “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem”

Piet Kelder, landschapsarchitect
lid van de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied
juni 2005

Het Westelijk Tuinbouwgebied is de laatst overgebleven -grotendeels open- ruimte tussen de stad Haarlem en de landgoederen aan de Binnenduinrand. Daarom behoort het gebied tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Er komt nu al een grote verscheidenheid aan planten en dieren voor. Bij een meer natuurlijk beheer zijn de mogelijkheden enorm groot.

In 1994 werd voor het zuidwestelijk deel van Haarlem een Perspectiefplan goedgekeurd waarin de volgende doelstellingen omschreven staan: een meer natuurlijk beheer, grotere natuurwaarde en versterking van de open ruimte. Als uitvloeisel van dit Perspectiefplan werd in 1995 de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied opgericht waarin, naast de wijkraden uit de omgeving, ook bewoners uit de wijken zitting hebben, sommigen uit belangstelling voor dit unieke gebied, anderen met specifieke kennis van een vakgebied (biologie, waterhuishoudkunde, historische geografie, architectuur en landschapskunde).

In 2003 werd in samenwerking met de werkgroep door de gemeente Haarlem het Landschapsbeheerplan ontwikkeld, dat grotendeels op de uitgangspunten van het “Perspectiefplan Haarlem Zuid-West” gestoeld is. Daarnaast nam men het initiatief tot het uitvoeren van een natuurhistorisch onderzoek van het gebied door de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en de productie van een videofilm over het gebied.

In het voorjaar van 2005 organiseerde de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied de tentoonstelling “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem”.

Bij dit project waren veel Haarlemmers betrokken, op vier basisscholen werden activiteiten georganiseerd, kunstenaars verleenden hun medewerking en op 12 april vond een informatiebijeenkomst plaats in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem.

De reacties van het publiek waren enthousiast. Mevrouw B.F.Martini, wethouder Natuur en Landschap bij de gemeente Haarlem schreef op 17 maart 2005 in het gastenboek: “Prachtige overzichtstentoonstelling van het Westelijk Tuinbouwgebied. Geeft een goed beeld van de landschappelijke culturele historie van het gebied. En nu maar ons best doen om dit gebied open te houden en de natuurwaarden te versterken.”

De werkgroep meent er goed aan te doen verschillende bijdragen te bundelen in deze uitgave.

Zo ontstaat tevens een gevarieerd beeld van het gebied en de betekenis die het heeft voor velen.

De werkgroep dankt iedereen die zich heeft ingezet voor de totstandkoming van dit project en spreekt de wens uit dat alle inspanningen ertoe zullen leiden dat het Tuinbouwgebied weer schoon en open wordt, zodat het de naam “De tuin van Haarlem” weer met ere kan dragen.

Natuuronderzoeksrapport aangeboden

Natuuronderzoeksrapport Westelijk Tuinbouwgebied “Zicht op Natuur” aangeboden aan wethouder Martini

Dit onderzoek is een initiatief van de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland (VWGZK) en de KNNV Vereniging voor Veldbiologie afdeling Haarlem. Vertegenwoordigers van genoemde partijen hebben gezamenlijk met de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied dit rapport aangeboden aan de Gemeente Haarlem (wethouder Berny Martini).

Eerste reactie Gemeente Haarlem op het rapport “Zicht op de natuur”

Wethouder Martini met onderzoeksrapport
Wethouder Martini met Piet Kelder

Film over het Westelijk Tuinbouwgebied

De werkgroep heeft over het gebied een film laten maken. De film met de titel “Rust en Beweging” is onlangs beschikbaar gekomen in de vorm van een DVD.
De tekst op de achterzijde van de hoes spreekt voor zich.

Informatie voorzijde DVD over het Westelijk Tuinbouwgebied

De DVD is tegen de kostprijs van € 7,50 verkrijgbaar. Een mailtje aan ons is voldoende om de DVD te ontvangen.

Informatie achterzijde DVD  over het Westelijk Tuinbouwgebied

Tijdens het maken van deze film hebben we ook foto’s gemaakt, een korte foto impressie van de “making of” is hier te vinden.

Bunker8, producent van DVD Rust in Beweging

De DVD is geproduceerd door Bunker8 Audiovisuals.

Nieuwe natuur bij Mariëndal

Nieuwe natuur bij Mariëndal

De Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied bezoekt natuurontwikkelingsproject Duinzoom te Den Helder 9-11-2005

Ten zuiden van Den Helder ligt de polder Koegras. Het was ooit een waddengebied met duintjes, kreken en allerlei eilandjes. Met enige moeite zijn restanten hiervan nog terug te vinden op de kaart. In de polder Koegras graasden na het droogleggen vooral koeien, nu groeien vrijwel overal bollen. Nieuwe natuur Binnenkort komt een flink stuk van dat oude avontuurlijke landschap terug. Een stuk bollenland van 53 hectaren, grenzend aan de Donkere Duinen en Mariëndal wordt in het kader van het project Duinzoom omgevormd tot natuurgebied. Alle gronden zijn verworven en het project is overgedragen aan Landschap Noord-Holland. Het Landschap beheert immers al andere stukken natuur in de omgeving, zoals de Grafelijkheidsduinen en de Noordduinen. Het nieuwe natuurgebied sluit aan op de Noordduinen (volledige tekst).

De gastheer was Piet van Kranenburg van Agens, een raadgevend buro op het gebied van projecten in bos, natuur en landschap.

Brochure teksten: deel 1, deel 2 en deel 3, Ontwerp [pdf]

De bundel ‘Binnenduinrand, tuin van Haarlem’

“Binnenduinrand, Tuin van Haarlem”
Paul Marselje
Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Wie zingt het niet, wie kan zich nog bedwingen?
Het Westelijk Tuinbouwgebied-lied
Waar je geniet, wie wil daarvan niet zingen?

Paul Marselje zong zijn zelfgecomponeerde lied bij de opening van de tentoonstelling “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem”, voorjaar 2005.
Bij dit project waren veel Haarlemmers betrokken, op vier basisscholen werden activiteiten georganiseerd, kunstenaars verleenden hun medewerking en op 12 april 2005 vond een informatiebijeenkomst plaats in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem.

De reacties van het publiek waren enthousiast en naar aanleiding daarvan besloot de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied de verschillende bijdragen te bundelen.

Omslag boekje Tuin van Haarlem

In de uitgave – waarin opgenomen de bijdragen van bekende Haarlemmers als Louis Ferron, Paul Marselje, Wim Vogel en de litho’s van leerlingen van basisschool De Zuidwester – wordt een gevarieerd beeld geschetst van het gebied en de betekenis ervan voor Haarlem en de Haarlemmers.

De bundel van ongeveer 45 pagina’s bevat fraaie zwart-wit foto’s van Geeke van Doornen, landschapsontwerper en is tegen betaling van € 2,00 af te halen bij Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied, Bouwbureau West, Leidseplein 49, tel. 023 – 53 14 185, geopend van maandag t/m donderdag van 10.00u tot 16.00u.

De uitgave werd mogelijk gemaakt door bijdragen van de volgende fondsen:
Prins Bernhard Cultuurfonds Noord-Holland,
Milieufederatie Noord-Holland,
RABObank Zuid-Kennemerland,
J.C. Ruigrok Stichting,
VSBfonds
en het Wereld Natuur Fonds.

Tentoonstelling ABC

Tentoonstelling over de geschiedenis van het Westelijk Tuinbouwgebied Haarlem
ABC Architectuurcentrum te Haarlem van 5 maart 2005 tot 20 april 2005

Het Westelijk Tuinbouwgebied, een rafelrand van de stad Haarlem? Of een tuin om trots op te zijn?
Dit was het thema van de tentoonstelling die de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied samen met het ABC Architectuurcentrum organiseerde.
De tentoonstelling was te zien vanaf 5 maart tot 20 april 2005.
De werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied Haarlem ijvert al jaren voor natuurontwikkeling en het schoon en open houden van het gebied, het laatste stukje binnenduinrand van Haarlem. Ook de gemeente koos hiervoor in het Landschapsbeheerplan van 2002. De werkgroep wil alle Haarlemmers laten weten dat zij een prachtige voortuin hebben, een tuin die het waard is om te behouden en te onderhouden (persbericht [pdf]).
De opening trok ruim 134 belangstellenden en de informatieavond ruim 80 belangstellenden. Het ABC heeft gedurende de gehele tentoonstelling 1.327 bezoekers geteld.

Tijdens de opening van de tentoonstelling op zaterdag 5 maart 2005 zijn diverse lezingen gegeven.
Frieda van Diepen-Oost, voorzitter overlegorgaan Nationaal Park Zuid-Kennemerland, opende de expositie met een exposé [pdf] over de kansen en de bedreigingen van het Westelijk Tuinbouwgebied. Paul Marselje had speciaal voor de bijeenkomst een lied [pdf] gecomponeerd en dat natuurlijk ook ten gehore gebracht.

Naast de opening is ook informatieavond gehouden op donderdag 7 april 2005 (persbericht [pdf]).
De informatieavond werd geopend door Piet Kelder, lid van de Werkgroep Westelijk Tuinbouwgebied. Vanuit verschillende invalshoeken hebben drie sprekers een korte inleiding verzorgd.

De sprekers waren:

  • Mevrouw Maria van Vlijmen, lid van de werkgroep “Parken en Groen” van de Vereniging Haerlem, kunsthistoricus en medeauteur van ‘De groene stad’ – 100 jaar openbaar groen in Haarlem; zij gaat in op cultuurhistorische waarden [pdf] van het gebied.
  • De heer H. Wijkhuisen, voorzitter van de KNNV vereniging voor veldbiologie. De heer Wijkhuisen presenteert uitkomsten van het natuuronderzoek in het gebied.
  • De heer Wim Vogel, neerlandicus en publicist, neemt de aanwezigen mee op een “wandeling” [pdf] door het Westelijk Tuinbouwgebied. De heer Vogel haalde Louis Ferron aan, die een artikel [pdf] over het Westelijk Tuinbouwgebied in het Haarlems Dagblad heeft gepubliceerd (februari 2005).

    Tentoonstelling ABC